Perfectly imperfect
Nee, beste lezer, ik ga het hier niet hebben over de promotiecampagne van Visit Brussels om onze stad internationaal aan te prijzen. En vergeef me, ik zal het onderwerp van mijn column deze week lichtvoetig houden. De wereld staat een beetje in brand -ik weet het-, het leven kan niet altijd lachen zijn -u weet dat ook-, dus heeft een mens wat vederlicht tegengewicht nodig.
Voetbal dus. Panem et circenses. Maar ik ga het niet hebben over de overbetaalde miljonairs met hun geaffecteerde maniertjes op het veld. Ook de infantiele vredeskoers van de FIFA zal evenmin aan bod komen. We gingen het verteerbaar houden, nietwaar. Hoe verder de sport aan de top wegdrijft van de basis, hoe belangrijker grassroots-voetbal wordt. En dus kom ik bijna automatisch uit -in mijn hoofd dan toch- bij mijn clubliefde voor een team gelegen in het midden van de vierde grootste gemeente der negentien Brusselse lokaliteiten.
De spanningsboog van dit tekstje is voortijdig doorbroken: u hebt me, lieve lezer, wederom ontmaskerd als supporter van RWDM en ik hoor u al zuchten (‘gaat hij nu weer over Racing White Daring Molenbeek beginnen zagen?’ -ja dus). Morgen ga ik namelijk andermaal met mijn tricolore rood-zwart-witte sjaal naar De Tempel (inderdaad, zo noemen wij het aftandse stadion aan de Charles Malisstraat -in Brussel overleeft een mens niet zonder een vleugje Magritte) voor de thuismatch tegen een andere Traditionsverein, Lierse. Het zou de laatste keer kunnen zijn want tegen de finale thuismatch van het seizoen zijn we misschien failliet. Voor zover we dat nog niet zijn. Andermaal. Ik wist dat tot voor kort niet, maar Amerikanen wiens naam met een T begint, daar moet een Europeaan blijkbaar extra voor opletten. Textor is Trump niet maar hij heeft er echt een zootje van gemaakt. In Lyon. Bij Botafogo ook. En zeker bij RWDM. In Brussel zeggen we wel eens plastisch ‘ne minsj moet ni uuger schaaiten as zaain ol’. Eerst vier en later drie clubs willen (micro)managen met te weinig visie of voetbalkennis én met te weinig geld, it doesn’t work, John.
Zo kom ik bij de centrale vraag: waarom blijft iemand (in dit geval ik dus) in deze omstandigheden voor zijn kluppie supporteren? Omdat ik niet anders kan, is dan een voor de hand liggend maar misschien te nietszeggend antwoord. Ik zou naar Union kunnen gaan voor de overwinningen. Ik zou naar RSCA kunnen gaan voor…, ja waarvoor? (sorry, Sportingboys, vriendschappelijk steekje). Maar dat gaan we niet doen. Op Molenbeek kom ik mijn jeugdvrienden tegen, het is de plek waar ik me 100% op mijn gemak voel. Elke keer vol hoop -meestal tegen beter weten in- naar de match en iedere keer weer -meer meer dan minder- als een geslagen hond naar huis. Vijf minuten kwaad zijn (ok, soms een uur), maar daarna weer de glimlach, de zelfrelativering, de zwanze. Je clubliefde ernstig nemen, maar jezelf niet. Voetbal als therapie voor het leven.
Perfectly imperfect dus.
Ik besef dat naamsveranderingen sedert John Textor nogal moeilijk liggen, but hey, what the hell: Racing Wabi-sabi* Daring Molenbeek…?
Misschien word ik door mijn RWDM-syndroom wel een betere Brusselaar…
Ik geloof het graag.
Sven Gatz
*wabi-sabi: een zeer oude Japanse filosofie die schoonheid en rust vindt in imperfectie, eenvoud en vergankelijkheid – en dad in aa kas!