Vlaanderen schiet in Brussel in eigen voet.
In de politiek en in het leven zijn er evidenties, er zijn ook onnozelheden en er zijn zelfs onnozele evidenties.
Een evidentie is bijvoorbeeld dat wie dat wil, in Brussel Nederlands moet kunnen leren.
Een onnozelheid is dan weer het feit dat je dit als Vlaming zou willen bemoeilijken (waarom zou men dit in ’s hemelsnaam doen?).
Wat een onnozele evidentie is, leg ik u graag hieronder uit.
De Vlaamse regering en het Vlaams parlement hebben namelijk beslist dat een anderstalige Brusselaar die zijn kinderen met voorrang in het Nederlands wil inschrijven zelf al een bepaald taalniveau Nederlands moet hebben. Die regels bestonden al maar zullen nu blijkbaar strenger gecontroleerd worden (niet alleen een attest van taalkennis kunnen voorleggen, maar ook vloeiend spreken en schrijven – blijkbaar vertrouwt de Vlaamse regering haar eigen Huis van het Nederlands niet…). Voor sommigen lijkt dit de evidentie zelve. Die vanzelfsprekendheid is echter slechts schijn. En bedrieglijk.
Om te beginnen is het politiek dom. Oerdom. Decennia geleden en ook vandaag nog zeggen (wat zeg ik: roepen) veel Vlamingen dat ‘ze’ (Franstaligen, Walen, anderstaligen) geen Nederlands willen leren. Nu dit in Brussel sedert de eeuwwisseling gekeerd is en de anderstalige ketjes in de Vlaamse scholen van Brussel toestromen is het weer niet goed!? ‘Het is goed dat ze Nederlands leren, maar ze mogen niet met te veel zijn, he!’, wat is dit in godsnaam voor een ongelofelijk dwaze redenering?
De nieuwe stringente maatregel is ook tegen de regels. In Brussel heeft elke familie, elke moeder, elke vader namelijk het grondwettelijk recht om zijn kind(eren) naar keuze in een Franstalige of in een Nederlandstalige school in te schrijven, op gelijke basis. Dit is fundamenteel. Het Grondwettelijk Hof heeft in het verleden al gesteld dat scholen wel bepaalde voorwaarden aan ouders mogen stellen om hun kroost te mogen inschrijven. De school mag dus een bepaalde taalkennis Nederlands vragen om voorrang te krijgen, dat is juist. Maar wat men niet mag doen is de toegang dermate bemoeilijken dat de vrije keuze van het gezinshoofd zelf in het gedrang komt. En dat is wat er nu aan het gebeuren is, met de pestmaatregelen van de Vlaamse regering. Dit krijgt wellicht nog een juridisch staartje. In een democratie moeten de basisregels gerespecteerd worden.
Maar bovenal is deze ingreep van de NVA (met de steun van cd&v en Vooruit, het moet gezegd) communicatief pervers. Want de boodschap die deze Vlaamse ministers en parlementsleden met hun nieuw decreet willen geven is: ‘tja, ze doen toch hun best niet, die ouders, willen ze eigenlijk wel Nederlands leren?’. Dit is een klassiek voorbeeld van wat men in de politiek een hondenfluitje noemt. Je bent welkom maar toch ook niet helemaal. Lekker gevoel. Je hoort erbij maar nu nog niet. Later. Misschien. Toprecept voor inclusie, bravo NVA.
Dit, beste lezer, is dus een onnozele evidentie. Men creëert een ogenschijnlijke evidentie die men vervolgens zelf bewust of uit domheid (of beide) tegenwerkt. Proficiat. Gekker wordt het niet. En het ergste van alles: deze wankele nieuwe regelgeving geldt strikt gesproken enkel voor wie voorrang wil bij inschrijving en dus niet voor een gewone inschrijving. Niet zo erg dus, zou u kunnen tegenwerpen. Helaas zeer erg, want de NVA heeft met deze geniale ingreep de indruk gewekt dat hij voor elke anderstalige vader en moeder van toepassing is. Zo blijkt alvast uit de artikels in de Franstalige en de Engelstalige pers. En aldus heeft de aantrekkingskracht van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel een flinke knauw gekregen. En dat door een Vlaams-nationale partij. Faut le faire, vraiment.
Sven Gatz