Imane Belguenani vroeg minister Hublet om transparantie over het Brusselse O&O-instrumentarium.
België behoort tot de Europese top op het vlak van onderzoek en ontwikkeling. Met O&O-uitgaven van 3,35% van het BBP staat ons land op de tweede plaats binnen de EU, na Zweden. Brussel beschikt over een eigen gamma aan innovatie-instrumenten: van incubatoren tot investeringsfondsen, van AI-programma’s tot begeleiding via hub.brussels.
De nieuwe Brusselse regering kondigde in haar gewestelijke beleidsverklaring aan dat dit instrumentarium grondig wordt hervormd. Innoviris moet zich toespitsen op zijn kernopdrachten en gerichte technologische projecten. Tegelijk verschuift de focus van premies naar leningen tegen lage rente, en zullen Finance.brussels en Innoviris een geïntegreerde innovatieprocedure ontwikkelen – van concept tot markt.
Dat zijn ambitieuze plannen. Maar een goede heroriëntering vergt eerst een eerlijk beeld van wat er vandaag bestaat en wat het oplevert. Daarom stelde Imane Belguenani (Anders) een schriftelijke vraag aan minister van Economie Laurent Hublet.
Wat weten we nu?
Het antwoord van minister Hublet brengt een aantal elementen in kaart:
Voor 2025 werd 740.000 euro uitgetrokken voor de ondersteuning van vier Brusselse incubatoren. Die richten zich op sectoren als groene economie, ICT, biowetenschappen en materiaalkunde, en begeleiden start-ups van oprichting tot groeifase.
Het Gewest heeft ook deelnemingen in twee investeringsfondsen gericht op universitaire spin-offs – QBIC II en Seeder Fund – met een initiële inleg van telkens 1 miljoen euro. Het huidig uitstaand bedrag is gedaald naar 100.000 euro.
Via Innoviris lopen digitale programma’s zoals sustAIn.brussels, Innovation Voucher en Start AI (samen 2,1 miljoen euro) en GenAI (1 miljoen euro), gericht op AI-adoptie bij Brusselse bedrijven.
Over de return on investment geeft Innoviris aan dat elke euro publieke subsidie 0,91 euro aan bijkomende private investeringen genereert. Minister Hublet zelf nuanceert dat cijfer onmiddellijk: het geeft enkel het financieel hefboomeffect weer, en zegt niets over effecten op werkgelegenheid, bedrijfsgroei, technologieoverdracht of gewestelijke concurrentiekracht.
Wat ontbreekt er nog?
Minister Hublet verwijst voor een groot deel van de vragen naar de minister-president, die bevoegd is voor Innoviris en wetenschappelijk onderzoek. Dat is institutioneel begrijpelijk, maar politiek onbevredigend: een coherente hervorming van het innovatielandschap vergt dat alle bevoegde ministers samen een helder beeld geven van wat werkt en wat niet.
Bovendien blijft het budget voor de incubatoren in 2026 onduidelijk: “er wordt nog overlegd”, schrijft de minister. Terwijl de regering een ambitieuze innovatiestrategie aankondigt, is de basisfinanciering van de incubatoren blijkbaar nog niet vastgelegd.
Anders blijft dit opvolgen
De heroriëntering van het Brusselse innovatiebeleid is geen technisch-budgettaire kwestie. Het gaat over de vraag welke Brusselse bedrijven de kans krijgen te groeien, welke sectoren worden geprioriteerd en of publieke middelen effectief worden ingezet.
Anders vindt dat de overheid hierover heldere, vergelijkbare en openbaar beschikbare evaluatiegegevens moet publiceren – per instrument, per jaar. Niet enkel het hefboomeffect, maar ook jobs, marktdoorstroming en verankering in Brussel. Pas dan kunnen we als parlement beoordelen of de aangekondigde hervorming de juiste richting op gaat.
Imane Belguenani zal dit dossier verder blijven opvolgen, ook in de richting van minister-president Dilliès.