Jeugdhulp in Brussel heeft nood aan een samenwerkingsakkoord

In de Commissie Welzijn en Gezondheid van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie heeft Brussels parlementslid Imane Belguenani het aanhoudende tekort in de jeugddelinquentiezorg opnieuw op de agenda gezet. Centraal stond het uitblijven van het samenwerkingsakkoord dat nodig is om de Brusselse ordonnantie van 16 mei 2019 over jeugdhulpverlening en jeugdbescherming eindelijk in werking te laten treden.

De aanleiding is bekend: rechters beslissen tot plaatsing van minderjarige delinquenten, maar door een structureel tekort aan plaatsen in gesloten en beveiligde instellingen kunnen die beslissingen niet altijd worden uitgevoerd. Dat creëert onveilige situaties en laat jongeren zonder de intensieve begeleiding die nochtans noodzakelijk is.

Tijdens de commissie bevestigde minister Alain Maron dat Brussel zelf geen eigen gesloten jeugdhulpinstellingen heeft en afhankelijk blijft van de Vlaamse en Franse Gemeenschap. Vandaag zijn er onder meer 245 plaatsen in instellingen van de Franse Gemeenschap en 324 in Vlaanderen die ook toegankelijk zijn voor Brusselse jongeren, zonder vaste quota. In de Franse Gemeenschap staan momenteel 79 jongens en 7 meisjes op een wachtlijst voor gesloten plaatsing, al benadrukte de minister dat zij intussen wel andere vormen van begeleiding krijgen.

Wat opnieuw ontbrak, was duidelijkheid over de timing van het samenwerkingsakkoord. Volgens de minister moeten eerst aanpassingen gebeuren in functie van het nieuwe federale Strafwetboek, dat pas in april 2026 in werking treedt. Pas daarna zou het Brusselse traject verder worden gezet.

Voor Belguenani gaat het probleem echter verder dan capaciteit en cijfers. Zolang er geen uitgewerkt Brussels kader en samenwerkingsakkoord bestaat, dreigt een fundamenteel rechtsstatelijk probleem: minderjarigen kunnen in theorie verschillend worden behandeld of gesanctioneerd voor hetzelfde feit, afhankelijk van de gemeenschap waaronder ze vallen.

Dat is volgens haar onaanvaardbaar. “Rechtszekerheid en gelijkheid voor de wet zijn geen detailkwesties,” stelt Belguenani. “Brusselse jongeren hebben recht op een coherent en werkend systeem, dat hen beschermt én begeleidt.”

Het dossier toont volgens haar aan hoe belangrijk blijvend parlementair werk is, ook in periodes van politieke stilstand. Jeugdhulp kan niet wachten. Brussel heeft nood aan duidelijke keuzes, rechtszekerheid en een samenwerkingsakkoord dat eindelijk wordt uitgevoerd.

Vind hieronder de volledige vraag terug (ingediend november, 2025):

Geachte leden van het College,

 

De voorbije weken sloeg de procureur des konings Julien Moinil opnieuw alarm over het plaatsgebrek in instellingen voor delinquente minderjarigen. Minderjarigen die verdacht worden van zeer zware feiten worden na arrestatie noodgedwongen weer vrijgelaten omdat er geen plaats is in gesloten instellingen. Volgens het parket gaat het niet om geïsoleerde dossiers: naar schatting meer dan 100 minderjarige delinquenten wachten in België op een plaats, terwijl rechters herhaaldelijk beslissen tot plaatsing. Door het ontbreken van plaatsen krijgen deze jongeren geen bescherming en ook geen intensieve begeleiding die nochtans noodzakelijk is om hen uit een criminele omgeving te halen.

 

Jeugdcriminologen wijzen erop dat het debat niet alleen over capaciteit mag gaan: de vraag dringt zich op of we niet te veel jongeren richting gesloten instellingen sturen, terwijl het aantal jeugddelicten op lange termijn daalt en de kaarten van armoede en criminaliteit in Brussel opvallend samenvallen. Dat pleit voor meer gerichte investeringen in preventie, wijkgerichte ondersteuning en vroege jeugdhulp, zeker in de meest kwetsbare buurten.

 

Op institutioneel en politiek vlak is de situatie complex. Sinds 2014 is de GGC bevoegd voor het jeugddelinquentierecht in Brussel. In de ordonnantie van 16 mei 2019 betreffende de jeugdhulpverlening en jeugdbescherming werd een specifiek Brussels kader uitgewerkt, maar de ordonnantie is tot op vandaag nog niet in werking getreden. Er is bovendien nog altijd geen samenwerkingsakkoord met de Vlaamse en Franse Gemeenschap, die elk hun eigen voorzieningen beheren.

 

In mei 2025 bevestigde u dat de voorbereidende stappen voor een samenwerkingsakkoord afgerond waren. Recent gaf u ook aan in de plenaire zitting wel aan dat er sinds de zomer een gezamenlijke nota werd opgemaakt met Vivalis, dat een voorontwerp in september werd besproken en dat de definitieve tekst pas in het eerste semester van 2026 wordt verwacht. Ondertussen blijven de problemen zich opstapelen én blijven Brusselse jongeren achter zonder de hulp of bescherming.

 

Voor onze fractie is het essentieel dat jongeren die ernstige feiten plegen tegelijk bescherming én begeleiding krijgen. Niet dat ze worden vrijgelaten of naar een ziekenhuisbed worden doorgestuurd omdat de structuren niet op punt staan.

 

Daarom heb ik volgende vragen:

  • Hoeveel effectieve plaatsen zijn er vandaag, voor Brusselse minderjarigen die geplaatst moeten worden in een gesloten of zeer beveiligde setting, in de verschillende voorzieningen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap?
  • Hoeveel Brusselse jongeren staan momenteel op een wachtlijst, en hoe wordt de prioritering op die wachtlijst bepaald?
  • In uw recente toelichting gaf u aan dat het voorontwerp van het samenwerkingsakkoord in september werd besproken, maar dat er “inhoudelijke aanpassingen” e nodig waren. Kunt u concreet toelichten welke elementen precies moesten worden aangepast, waarom die wijzigingen noodzakelijk zijn en in welke mate dit het verdere traject vertraagt?
  • Welke maatregelen neemt u, in afwachting van het samenwerkingsakkoord, om te voorkomen dat jongeren die een gevaar vormen voor zichzelf of hun omgeving toch opnieuw in dezelfde context terechtkomen?
  • Hoe zorgt u ervoor dat gesloten plaatsing een laatste redmiddel blijft, in lijn met de jeugdrechtelijke principes, en dat er voldoende alternatieve trajecten bestaan?

 

Imane Belguenani