Leervergoeding in duaal leren heeft zelden impact op het leefloon in Brussel


Duaal leren en enseignement en alternance bieden kansen aan jongeren die schoolmoe zijn maar niet leermoe. Toch schuilt er een paradox: net de financiële vergoeding die deze trajecten aantrekkelijk maakt, wekt bij kwetsbare gezinnen de vrees hun OCMW-steun te verliezen. Deze onzekerheid, bij gezinnen, jongeren én soms begeleiders, kan de drempel naar een duaal traject onnodig verhogen. Brussels parlementslid Imane Belguenani stelde hierover een schriftelijke vraag aan het college van de GGC: hoe gaan de 19 Brusselse OCMW’s om met leervergoedingen bij de berekening van het leefloon, en zijn er ooit uniforme richtlijnen uitgevaardigd?

 

Wat was de aanleiding?

Het signaal kwam uit een gezamenlijk advies van Banspa en IBEFE, goedgekeurd in november 2025 en medeondertekend door Brupartners. Daarin wordt gewezen op een reëel risico: sommige gezinnen in een kwetsbare economische situatie vrezen dat een duale opleiding, die gepaard gaat met een leervergoeding, hun recht op OCMW-steun zou verminderen of zelfs doen verdwijnen. Die onzekerheid kan jongeren ervan weerhouden een duaal traject te kiezen, ook al zou dat traject hen op termijn juist meer kansen bieden. Tal van OCMW-raadsleden op het terrein bevestigden bovendien dat de aanpak van OCMW tot OCMW verschilt, en dat een gedeeltelijke afhouding van de leervergoeding lang niet altijd op een uniforme manier wordt toegepast.

 

Het wettelijke kader: een federale bevoegdheid

De berekeningsregels voor het leefloon zijn federale materie. Volgens artikel 35 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie wordt de leervergoeding beschouwd als een bestaansmiddel en dus in rekening gebracht bij de berekening van het leefloon.

 

Toch is de impact in de praktijk beperkt. Op de leervergoeding wordt immers de zogenaamde socio-professionele vrijstelling toegepast, die momenteel vastgesteld is op 309,48 euro. Alleen het deel van de vergoeding dat dit bedrag overschrijdt, heeft een effect op het leefloon. Aangezien de meeste leervergoedingen onder deze drempel blijven, is de concrete impact voor de meeste begunstigden verwaarloosbaar of zelfs nihil.

 

Wat zegt de praktijk in Brussel?

Om een actueel beeld te krijgen, voerde Brulocalis (de Federatie van de Brusselse OCMW’s) in januari 2026 een bevraging uit bij de 19 Brusselse OCMW’s. Vijftien OCMW’s namen deel. De resultaten, die geanonimiseerd werden gepubliceerd als bijlage bij het antwoord, tonen een opvallende eensgezindheid.

 

De deelnemende OCMW’s behandelen de leervergoeding als een beroepsinkomen en passen de socio-professionele vrijstelling toe. De interpretatie van het regelgevende kader is grotendeels gedeeld, en er is sprake van een feitelijke convergentie in de toepassing, ook al bestaan er geen formele gemeenschappelijke richtlijnen. In de praktijk betekent dit dat de leervergoeding voor de meeste jongeren in een duaal traject geen of slechts een minimale invloed heeft op het bedrag van hun leefloon.

 

Heeft de GGC ooit richtlijnen uitgevaardigd?

 

Neen. De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) heeft de voorbije jaren geen specifieke richtlijnen of aanbevelingen uitgevaardigd over de behandeling van leervergoedingen bij de berekening van het leefloon. Dit blijft immers een federale bevoegdheid, waarbij de OCMW’s een aanzienlijke autonomie behouden bij de behandeling van individuele dossiers.

 

Wel ondersteunt de GGC via haar toezichtsrol en haar samenwerking met en subsidiëring van Brulocalis de uitwisseling van goede praktijken en de harmonisatie van werkwijzen tussen de Brusselse OCMW’s.

 

Conclusie: onzekerheid in de praktijk, convergentie op papier

De bevraging stelt gerust: de Brusselse OCMW’s passen de regels grotendeels uniform toe, en de leervergoeding heeft in de meeste gevallen geen of slechts een beperkte impact op het leefloon. Toch blijft het probleem van de perceptie overeind. Zolang gezinnen én begeleiders onvoldoende geïnformeerd zijn over de vrijstellingsregels, kan onzekerheid over financiële gevolgen nog steeds een drempel vormen voor de keuze van een duaal traject. Een gerichte communicatie-inspanning richting gezinnen en consulenten lijkt dan ook aangewezen, want een regel die goed is maar niet gekend, werkt niet.