
“We zijn voor het principe van een beperking van de werkloosheid in de tijd. Maar het werd niet goed voorbereid, noch federaal noch gewestelijk. De controle op de beschikbaarheid van werkzoekenden schoot tekort, zowel bij Actiris als bij de OCMW’s, die de naleving van de Geïndividualiseerde Projecten voor Maatschappelijke Integratie (GPMI/PIIS) gewoon niet hebben gecontroleerd.” Imane Belguenani deed een wake-up call in het Brussels Parlement naar aanleiding van het debat over de noodzakelijke steun aan de Brusselse OCMW’s ten gevolge van de beperking van de werkloosheid in de tijd (19 december 2025).
Uit het verslag:
Mevrouw Imane Belguenani (Open Vld).- De indieners van het voorstel, namelijk mevrouw Khattabi en mevrouw Tahar, besluiten met de vaststelling dat er een democratische consensus bestaat tegen de federale hervorming.
Ik kon niet aanwezig zijn in de commissie, maar ik heb de video achteraf bekeken. Er werd beweerd dat deze catastrofale toestand en de democratische consensus tegen deze hervorming een signaal is dat het parlement niet kan negeren. Ik kan echter alleen maar vaststellen dat er geen consensus is. Er is wel een debat dat ons beleid zou kunnen verrijken, als we bereid zijn om naar iedereen te luisteren.
De heer Verstraeten zei al dat we naar elkaar moeten leren luisteren. We kunnen van mening verschillen en tegelijk in gesprek gaan over de hervorming. Als we elkaars argumenten ernstig nemen zonder elkaar te diaboliseren, zou het debat constructiever zijn.
Er werden veel argumenten naar voren geschoven. Mijn fractie zal niet voor de resolutie stemmen, omdat we de hervorming op zich niet ongenegen zijn. De ministeriële besluiten die in het verleden werden genomen om de werkloosheidsuitkeringen te regelen, hadden tal van maatregelen kunnen bevatten om de uitkeringen te koppelen aan werkwilligheid, dus aan de bereidheid om een passende betrekking te aanvaarden.
De voorbije federale regeringen hebben de regels al enigszins aangescherpt, maar in de praktijk werden ze niet toegepast. We moeten dus zeker ook kijken naar wat het Brussels Gewest de afgelopen jaren heeft nagelaten te doen.
Het verslag van het Rekenhof over Actiris uit de vorige regeerperiode was op dat punt behoorlijk kritisch. Ik weet dat minister Clerfayt bereid was om de werking van Actiris te hervormen, en als het aan hem gelegen had, was die hervorming doorgevoerd met een duidelijker activeringsbeleid. Zo wilde hij het college van drie evaluatoren afschaffen. We weten dat dat niet gelukt is door weerstand van sommige partijen in de regering en ook binnen de raad van bestuur van Actiris. Ik hoorde zonet zeggen dat we allemaal willen activeren, maar de feiten tonen mij een andere realiteit. We hadden meer moeten doen.
Natuurlijk heb ik ook oog voor de impact die de maatregel kan hebben op de Brusselaars. Ik deel dus de bezorgdheid van mijn collega’s.
Als we in deze resolutie spreken over de OCMW’s, moeten we het debat ook durven verruimen. Collega Azghoud heeft, zowel hier als in de commissie, gezegd dat we die mensen niet genoeg jobs aanbieden. Ik ben het met haar eens. De studie van BECI toont aan dat we op een andere manier naar vacatures moeten zoeken. De databank van Actiris is onvolledig en moet worden aangevuld met vacatures uit de Brusselse Rand. Als we spreken over de hervorming en financiering van de OCMW’s, moeten we ook daar werk van maken, en bekijken wat wij anders kunnen doen.
Ik zei het vanochtend al: ik ga vaak naar Brusselse bedrijven en daar hoor ik voortdurend spreken over de mismatch op de arbeidsmarkt. Veel werkgevers geven te kennen dat ze het niet erg vinden om mensen in dienst te nemen die niet de juiste competenties hebben. Als ze gemotiveerd zijn en de juiste attitude hebben, zijn werkgevers bereid om hen op te leiden. Toch vinden de werkgevers niet genoeg mensen op de Brusselse arbeidsmarkt. We moeten nagaan hoe we de werking van de OCMW’s in die zin kunnen verbeteren. Dat zijn aspecten die het debat verrijken. Ik wil niet, zoals sommige collega’s, meegaan in een opbod van verontwaardiging.
De hervorming van de werkloosheid treft steden onevenredig zwaar. In steden is er meer armoede en er wonen ook meer werkzoekenden die moeilijk te activeren zijn. Wie een vaste baan heeft, bouwt een kapitaal op en trekt dan vaak uit Brussel weg. Het is aan het gewest om na te gaan wat het kan doen om de activeringsgraad te verhogen. De activeringsgraad is trouwens een beter criterium dan het aantal werklozen om de werking van Actiris te toetsen.
De rode draad van vandaag was de onderfinanciering van Brussel. Ik ben het daarmee eens. We moeten een rechtvaardige return krijgen, maar we moeten ook zelf ons werk doen.
De studie die de Nationale Bank van België drie weken geleden kwam voorstellen, vormt daar een goede basis voor.
Ik zou daar nog lang over kunnen doorgaan, maar ik wil het ook over het andere deel hebben, namelijk de OCMW’s en hun werking. Alles komt nu bij de OCMW’s terecht. Volgens mij volstaat de compensatie niet. We moeten toegeven dat zowel de federale regering als het gewest de hervorming niet goed heeft voorbereid. Het probleem van Actiris herhaalt zich bij de OCMW’s.
In hun resolutie vragen mevrouw Tahar en mevrouw Khattabi dat de federale regering het in de tijd onbeperkte recht op een leefloon behoudt. Dat is echter niet wat in de wet betreffende de maatschappelijke integratie en de OCMW-wet staat. Daarin staat dat elke persoon recht heeft op maatschappelijk integratie. Dat recht is evenwel verbonden aan de voorwaarden die in de wet betreffende de maatschappelijke integratie zijn bepaald. Het gaat in de eerste plaats om een job. Pas op de tweede plaats komt een leefloon. Het idee van de artikel 60-jobs vloeit voort uit die eerste mogelijkheid.
De wetgever heeft de voorbije jaren de geest van de wet aanzienlijk verscherpt. De heer Verstraeten had het daarnet al over de geïndividualiseerde projecten voor maatschappelijke integratie (GPMI). De veralgemening daarvan waarvoor minister Borsus destijds gestreden heeft en waarvoor hij middelen aan de OCMW’s toekende, was daar het beste voorbeeld van.
Ik heb collegeleden Maron en Van den Brandt meermaals gevraagd naar cijfers over het aantal GPMI’s en sancties, maar die hebben ze niet. Collegelid Maron heeft in een commissie zelfs toegegeven dat maatschappelijk werkers bij de meeste OCMW’s het niet als hun taak zien om leefloners te controleren en te sanctioneren. De wet zou dat namelijk niet toelaten.
Dat brengt mij bij een volgend punt. De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen is hard, maar zonder die hervorming blijft het gewestelijk beleid ook gewoon uit. We hebben de afgelopen jaren op het gebied van activering nagelaten om het nodige te doen. Het ziet er eenvoudigweg niet goed uit.
Welnu, ik neem het collegelid Maron kwalijk dat hij ondanks alle signalen, ondanks de studie van de ULB die hem op een schoteltje werd aangereikt, heeft nagelaten om zijn voogdij over de Brusselse OCMW’s uit te oefenen. Hij had daar een actievere rol in kunnen spelen.
We moeten het ook hebben over een echt debat inzake de toepassing van de GPMI’s en de activering van werkzoekenden bij de OCMW’s. Er is geen consensus over dat thema, maar het is belangrijk om naar elkaars argumenten te luisteren.
Ter afsluiting wil ik toelichten waarom de Open Vld-fractie zich zal onthouden. We zullen niet tegen het voorstel stemmen, maar ons onthouden, omdat we voor het principe van een beperking van de werkloosheid in de tijd zijn. We zijn het er echter mee eens dat het niet goed is voorbereid, federaal noch gewestelijk. Of we het nu willen of niet, dat dwingt ons om actie te ondernemen.
Ik deel de bezorgdheden en ik zou willen dat onze onthouding veeleer wordt gezien als een symbool. We willen meer samenwerking met de verschillende niveaus: de OCMW’s, Actiris en de federale overheid, om ervoor te zorgen dat we er wél in slagen om al die mensen te activeren.
debat over : PROPOSITION DE RÉSOLUTION de Mmes Farida TAHAR et Zakia KHATTABI relative au renforcement des financements des CPAS, dans le cadre de la réforme des allocations de chômage (nos B-46/1, 2 et 3 – 2025/2026)