Rechters beslissen, maar plaatsing blijft uit: tekort aan gesloten jeugdzorg in Brussel

Tijdens de Commissie Welzijn en Gezondheid van het Brussels Parlement op 22 januari 2026 kaartte parlementslid Imane Belguenani (Anders.) het structurele plaatsgebrek in gesloten en beveiligde instellingen voor minderjarige delinquenten aan. Volgens haar is de huidige situatie het gevolg van institutionele complexiteit en het uitblijven van een noodzakelijk samenwerkingsakkoord tussen de Gemeenschappen.

Belguenani kreeg bijval van verschillende fracties. “Dit dossier overstijgt partijpolitieke tegenstellingen. Het gaat over veiligheid én over jeugdbescherming,” benadrukt ze.

Rechters beslissen, maar plaatsing blijft uit

Vandaag kunnen jeugdrechters beslissen tot plaatsing in een gesloten instelling, maar in de praktijk blijkt de uitvoering vaak onmogelijk door een gebrek aan beschikbare plaatsen en het ontbreken van een duidelijk samenwerkingskader.

Brussel beschikt zelf niet over eigen gesloten jeugdhulpinstellingen en is afhankelijk van voorzieningen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap. Momenteel zijn er 245 plaatsen in instellingen van de Franse Gemeenschap en 324 plaatsen in Vlaanderen die ook toegankelijk zijn voor Brusselse jongeren, zonder vaste quota.

Uit de cijfers blijkt echter dat de druk hoog blijft. In de Franse Gemeenschap staan momenteel 79 jongens en 7 meisjes op een wachtlijst voor een gesloten plaatsing. Hoewel deze jongeren alternatieve begeleiding krijgen, wijst Belguenani op de risico’s die hiermee gepaard gaan.

“Wanneer een rechter een plaatsing beveelt, moet die ook effectief kunnen worden uitgevoerd. Het kan niet dat beslissingen vastlopen op institutionele knelpunten,” stelt ze.

“Wanneer een rechter beslist tot plaatsing, moet die beslissing ook uitgevoerd kunnen worden. Veiligheid en jeugdbescherming mogen niet vastlopen op institutionele complexiteit.”

Rechtszekerheid onder druk

Volgens Belguenani gaat het probleem verder dan louter capaciteit. Door het ontbreken van een uitgewerkt Brussels kader en een sluitend samenwerkingsakkoord dreigt een situatie waarbij jongeren voor gelijkaardige feiten in totaal verschillende trajecten terechtkomen, afhankelijk van het gemeenschapskader.

Daarnaast beschikt Brussel op parketniveau over een beperkter instrumentarium dan andere deelstaten. Dat verschil tast volgens haar de rechtszekerheid aan en bemoeilijkt een snelle en coherente aanpak van jeugddelicten.

“Dit gaat niet alleen over capaciteit, maar ook over rechtszekerheid. In het belang van de veiligheid én van de jongeren moeten we dit institutionele kluwen ontwarren.”

Oproep tot duidelijkheid en actie

Belguenani vraagt duidelijke communicatie over de timing van het samenwerkingsakkoord, dat al geruime tijd in voorbereiding is. De bevoegde minister gaf aan dat verdere stappen pas kunnen volgen nadat het nieuwe federale Strafwetboek in werking treedt, voorzien in april 2026.

Voor Belguenani is het echter essentieel dat het dossier niet verder aansleept. “Jongeren die ernstige feiten plegen hebben nood aan begeleiding én bescherming. Dat vraagt duidelijke afspraken, voldoende capaciteit en een coherent kader. Veiligheid en jeugdzorg mogen geen slachtoffer worden van institutionele traagheid.”