De Brusselse regering streeft naar een tewerkstellingsgraad van 70% tegen 2030. Dat is een ambitieus doel, maar het is ook een indicator met een blinde vlek. Wie werk vindt in Brussel, verhuist verhoudingsgewijs vaker naar de rand. Wie kwetsbaar is, blijft in de stad. Dat maakt een eerlijke vergelijking met andere regio’s methodologisch wankel. Antwerpen heeft een vergelijkbare tewerkstellingsgraad als Brussel — niet omdat de situatie er zo goed is, maar omdat hetzelfde migratieeffect speelt.
Daarom vraagt Imane Belguenani al jaren om een dynamischere indicator: de activeringsgraad, het percentage werkzoekenden dat na inschrijving bij Actiris effectief uitstroomt naar werk. Dat meet wat Brussel zelf doet — ongeacht wie er wel of niet in de stad blijft wonen.
De meest recente cijfers, die minister Hublet nu heeft bezorgd in antwoord op een schriftelijke vraag, geven een helder beeld van 2023: 48,4% van de nieuw ingeschreven werkzoekenden vond binnen twaalf maanden een job van minstens één maand. Dat is iets lager dan de 49,3% die in 2022 werd gemeten.
Maar de verschillen zijn groot. Mannen stromen sneller uit dan vrouwen. Hooggeschoolden vinden sneller werk dan kortgeschoolden. En jongeren versus ouderen tonen eveneens een opvallend verschil. Precies die ongelijkheden zeggen meer over de uitdagingen op de Brusselse arbeidsmarkt dan een globaal percentage.
Wat blijft wringen: vergelijkende data bestaan niet. VDAB en Forem berekenen hun indicatoren anders. Brussel kan zich dus nauwelijks afmeten aan andere gewesten of steden — en dat is een gemiste kans voor beleidsmakers die willen leren van wat werkt.
Nog een open vraag die wij blijven stellen: wordt de activeringsgraad straks ook formeel opgenomen als beleidsindicator naast de tewerkstellingsgraad? Minister Hublet heeft dat nog niet beslist. Anders blijft erop aandringen dat dit wél gebeurt in de toekomst.
De meest recente cijfers zullen pas deze zomer beschikbaar zijn. Wij volgen op.